THEMA LEVEN VAN ALLE DAG

De rebètika-teksten schetsen allerlei scènes uit het dagelijks leven, dingen die bij het leven horen: lokale gebeurtenissen, het werken voor de kost, een overspelige vrouw, de dood.

De manges waren levensgenieters, hielden van de goede dingen des levens: mooie kleren, mooie vrouwen, dans en goede muziek. Om deze manier van leven te kunnen bekostigen, zagen veel manges zich wel genoodzaakt te gaan werken. De teksten spreken op een positieve, waarderende manier over de verschillende beroepen.

Niet alle manges verdienden hun geld met zweet. Maar veel van ons hadden zwaar werk en met ons zweet verdienden we ons brood en konden we doen waar we zin in hadden. Ik hield bijvoorbeeld - zoals iedereen trouwens - nogal van mooie kleding.
(Markos Vamvakaris)

Inhoud:
50. Bike o chimonas – De winter is begonnen
51. Sinnefiasmeni kiriakí – Bewolkte zondag
52. O psarás – De visser
53. Thermastís - Stoker
54. Plimmira - Overstroming
55. Kapilió – De kroeg
56. To sakaki – Het jasje
57. Stou Linardou tin taverna – In de taverna van Linardo
58. Politechnitis – Markos’ twaalf ambachten
59. I Eleni i zondochira – Eleni, de onbestorven weduwe
60. Iliovasílema sostó – Een echte zonsondergang
61. To portofoli – De portemonnee
102. I psarades – De vissers

50. DE WINTER IS BEGONNEN

De winter is begonnen en de mensen zijn van streek:
ze moeten een nieuwe winterjas hebben.
Maar dat de mijne versleten is,
daar kan ik me niet druk over maken.

Als iedereen bibbert van de kou,
lig ik heerlijk in jouw armen;
en als het haardvuur bij ons uit is,
houden jouw lieve kussen me warm.

En al steken we de kachel niet aan,
toch zal het warm zijn in jouw armen:
de beste verwarming zijn jouw kussen,
als we bij elkaar liggen, m'n pop.

We hebben ook geen licht nodig,
want wij beidjes zullen het heerlijk hebben,
we zullen om negen uur gaan slapen,
en merken niks van noordenwind of kou.

51. BEWOLKTE ZONDAG

Bewolkte zondag,
je lijkt op m'n hart
dat altijd betrokken is,
O, Christus en Maria.

Je bent een dag als die ene,
toen ik m'n vreugde verloor.
Bewolkte zondag,
je doet mijn hart bloeden.

Als ik je regenachtig zie,
vind ik geen moment rust.
Je maakt m'n leven zwart
en ik zucht diep.

52. DE VISSER

Waarom wil je me niet, juffrouw?
Omdat ik een visser ben?
Ik ben een beetje vrijgevochten
als visser en zeebonk.
Denk je dat je het met mij
niet fijn zult hebben?

Ik heb een kleine boot
met riemen en een zeil,
en ik vis elke nacht
in m'n eentje met de lijn.
En de vis die ik vang,
verkoop ik op de markt.

Lach niet als je ziet
dat ik op blote voeten loop.
De vrouw die ik zal hebben,
daar zal ik goed voor zorgen
en al haar wensen zal ik vervullen,
al ben ik maar een visser.

53. STOKER

De machinist aan de machine,
        de stuurman aan het wiel,
en de stoker in het ketelhuis
        ruziet met de vlammen.

Hou vol, mijn stokertje,
        en gooi je scheppen
in je keteltje,
        zodat het vuur blijft branden.

Boordevol schoppen en staven,
        zal ik de golf van Biskaje oversteken
en in de wateren van Cardiff
        zal ik voor anker gaan.

Maar vuur is vuur,
        en vuur is verzengend,
en de zee heeft
        mijn binnenste zwart gemaakt.

54. OVERSTROMING

Tijdens de overstroming van dit jaar
zocht ik het hogerop,
en ik zag een moeder schreeuwen,
steunen en kreunen:

'Mijn baby, mijn kleine kind!
Neem mijn leven, maar red het zijne!'

Ik sprong in het water om het kind te redden,
en bracht het er bijna niet levend vanaf.

De stroom sleurde me mee,
o moeder, het is geen leugen.

In de stroom probeerde ik te zwemmen,
maar ik kon het kind niet redden.

Toen ik terug aan wal kwam,
zaten er twee kinderen en een oude vrouw

bovenin een boom:
zij hadden zich zo gered.

Peristeri* en Moschato
zette het op z'n kop,

Kamínia en Ajá Sotira,
alles zette het onder water.

* Peristeri, Moschato, Kamínia, Ajá Sotira zijn wijken in en om Piraeus.


55. DE KROEG

De nacht is ijskoud
        en het regent een beetje
en aan de overkant
        komt licht uit de kroeg.

Een dronkelap zonder duiten
        zit buiten de kroeg
in gedachten
        voor het lage deurtje.

Hij wil ook naar binnen
        en met drinken beginnen,
maar het is een arme kroeg
        en die geeft geen krediet.

56. HET JASJE

Het toeval bracht hem ertoe een jasje te stelen;
hij trok het aan en ging naar Karaïskaki.

Tot zijn ongeluk kwam net de eigenaar eraan;
die trok aan hem en schreeuwde dat het van hem was,
die trok aan hem en zei dat het van hem was.

Ze pakten die mangas en sloegen hem op z'n gezicht,
ze sloegen hem verrot en brachten hem naar de gevangenis.

Sla hem toch niet, mensen, om een oud jasje:
hij wilde het verkopen om een pijpje te roken,
hij wilde het verkopen in Karaïskaki.

57. IN DE TAVERNA VAN LINARDO

In de taverna van Linardo
zie je moderne mensen:
daar komen stuk voor stuk
de sterren van de taverna.
Daar zitten de Papaver,
de Ton en de Walvis;
de Luiaard, de Knoflook,
en Knor de Vleeshaak.

Daar zit ook juffrouw Angelo
met haar zwarte voile,
en dan Fotiní, de feestneus,
die na haar eerste glas dronken is.
Daar zit ook Stamáta,
die dronken wordt en borden breekt,
en verder juffrouw Pipina,
die drinkt een retsina.

Daar zitten de Decaliter,
de Selderij en Aubergine;
en ook de Haring en de Peer,
de Tabacos en de Kraan.
En daar zitten de Augurk,
de Vleessoep en het Monster,
en ook nog de Radijs,
Boontje en Paardenworst.

Wie zou niét dronken worden
op een dergelijk feest?
De een danst en zingt,
de ander is uit op liefde.
De een drinkt en betaalt,
de ander drukt zijn snor.
Zeg, Linárdo, herbergier:
gooi de rekening maar weg.

58. MARKOS'* TWAALF AMBACHTEN

Luister naar al de beroepen die ik heb gehad:
als ik eraan denk, dan moet ik huilen.

        Al de beroepen die je hebt gehad, maar één ding heb je niet gedaan:
        je hield van mij en hebt me niet getrouwd.

Ik werkte in een spinnerij en maakte pakjes,
de meisjes brachten me draad en garen.

        De meisjes brachten je draad en garen,
        maar je dacht niet aan mijn verdriet.

Ik vond het werk niet leuk en zocht iets anders,
en ik werd leerling bij een dikke kruidenier.

        Je werd leerling bij een dikke kruidenier,
        want hij had een mooie dochter en een groot kapitaal.

Drie dagen bleef ik daar, maar ik wilde weer weg,
kranten verkopen en over straat zwerven.

        Al verkocht je kranten en zwierf je over straat,
        je trouwde de dochter en mij joeg je weg.

's Avonds pakte ik dan nog m'n kistje op,
alleen de wijkaarsen van Sint Joris droeg ik niet.

        Al werd je schoenpoetser, straat joch en zwerver,
        je moet bedenken dat je mij niet hebt genomen.

* Markos Vamvakaris, de 'vader' van de rebètika.

59. ELENI, DE ONBESTORVEN WEDUWE

Eleni, de onbestorven weduwe,
had verdriet, de zielenpoot:
haar man was een grijsaard,
de arme meid hield het niet uit.

Elke dag zuchtte ze
en spuwde ze vlammen:
ik ben jong en het past niet
dat een grijsaard me omhelst"

Ze maakte het bekend en zei:
wat moet ik doen, en ze huilde zonder end.
De kruidenier had meelij:
elke nacht dacht hij aan haar,

Ook de groenteman kwam langs,
hij bleef staan en troostte haar:
zo wilde het lot, Eleni,
dat je onbestorven bent.

Toen het kappertje het hoorde,
kwam hij enthousiast aanlopen:
kom maar hier, Heleentje,
ik zal je wel opbeuren.

Toen het slagertje het hoorde,
stuurde hij een lammetje:
bak het met spinazie,
want ik kom vanavond langs.

60. EEN ECHTE ZONSONDERGANG

Een echte zonsondergang, vlak voor het donker wordt.
Ik ga gebogen mijn weg, omdat het verdriet me verteert.

Grijs is mijn haar geworden en mijn lichaam krom,
en het verdriet schoot wortel, diep in mijn ziel.

Pijnen treffen me, verdriet kwelt me
en elke dag die voorbijgaat, brengt me verder van mijn jeugd.


Toen het kappertje het hoorde, kwam hij enthousiast aanlopen: kom maar hier, Heleentje,
ik zal je wel opbeuren.

Toen het slagertje het hoorde, stuurde hij een lammetje: bak het met spinazie,
want ik kom vanavond langs.

61. DE PORTEMONNEE

In de huidige wereld,
        dat weet iedereen,
heeft de mens macht
        door zijn portemonnee.

Als ze zien dat je een
        portemonnee op zak hebt,
noemen ze je een gentleman,
        noemen ze je een nette vent.

Je vrienden willen je
        en ze komen naar je toe,
alleen als ze merken
        dat je een portemonnee hebt.

De portemonnee - wat wil je ook ­-
        heeft een grote charme:
op elk moeilijk moment
        kun je je mannetje staan.

102. DE VISSERS

In de haven kwam weer de vissersboot binnen,
vol met verse vis, skoumbrí en kalamari.

De boot is van stoere vissers.
Als de vangst verkocht is gaan ze feestvieren in de taverna.

Ze drinken, dansen prachtig, en ze vragen aan de muziek
Om een buikdansnummer.