| |
|
|
Wat is Rebètika?
De rebètika-muziek
ontstond aan
het einde van de negentiende eeuw in de onderste laag van de Griekse
samenleving en vertegenwoordigde tot vlak na de Tweede Wereldoorlog een
heftige cultuur in de oude harten van de Griekse steden. Sterk steunend
op de oosterse melodiek, maar evenzeer beïnvloed door het
harmonische denken van de West-Europese muziekcultuur bezit zij juist
die exotische schoonheid waardoor zij heden ten dage weer volop in de
belangstelling kan staan.
In 1821 bevrijdde Griekenland zich
van de Turkse
overheersing. Direct probeerde men, ook in muzikaal opzicht, de
invloeden van 400 jaar Turkse heerschappij van zich af te schudden en
richtte men zich op de Europese cultuur. De in 1838 in Athene geopende
Opera werd druk bezocht, en ook revues waren erg populair. Alleen in de
onderste laag van de samenleving, in havenkroegen, hasjkitten,
gevangenissen en gewoon in de straten in het oude hart van de steden,
waren nog de traditionele oosterse muziek en de klanken van de bouzouki
te beluisteren.
Aan
het einde van de
negentiende eeuw was in steden als Ermoúpolis, Thessaloniki,
Piraeus, Athene en Smyrna een groot subproletariaat ontstaan,
bestaande uit dagloners, koelies, zwervers, avonturiers, verslaafden,
prostituees en criminelen. Binnen deze groep ontwikkelde zich een eigen
cultuur, met een eigen taal, kleding, cafés, muziek. De koutsavákides,
later de manges, vormden de kern van deze groep.
Zij
verzetten zich heftig tegen de gevestigde orde en regelden hun eigen
zaken.
De
mangas is
de held van de rebètika. Markos Vamvakaris (1905-1972) is de
meest roemruchte. Stijlvol gekleed als een Amerikaanse gangster uit de
jaren dertig, met lak aan conventies en de gevestigde orde, leidt hij
een romantisch, ruig leven, met muziek, dans, hasj en mooie vrouwen.
Hij beweegt zich in de wereld van de rebetes:
gelijkgezinden
uit de Griekse onderwereld.
In de jaren dertig van deze eeuw
braken voor de rebètika-muziek
moeilijke tijden aan. De hasjcultuur, die nauw verbonden was met de rebètika,
werd van hogerhand en met name door de persoon van dictator
Metaxás, bestreden. Om die reden viel de politie hasjkitten
binnen en sloeg bouzouki’s kapot. Ook
censureerde
Metaxás de rebètika-platen,
omdat de teksten
vaak over hasj gingen. Bij het volk raakte de rebètika
hierdoor juist geliefd.
Vlak
na de Tweede
Wereldoorlog begonnen de rebètika-liederen
ook bij de
middenklasse in de smaak te vallen. Tegelijkertijd werd de oosterse
basis van de rebètika steeds smaller.
Zo zei de grote bouzouki-speler
Vasilis Tsitsanis dat hij de taximi, een
improvisatie op een
oosterse toonladder waarmee een bouzouki-speler
zich kon
bewijzen, niet meer goed kon spelen. Tsitsanis' rebètika-liederen
leken inderdaad soms meer op Italiaanse cantades. De hasj kwam niet
meer in de teksten voor, de mángas was uit het
straatbeeld
verdwenen en rond 1952 werd de definitieve doodsteek aan de rebètika-cultuur
toegebracht, toen het grote publiek de rebètika
als
feestmuziek ging waarderen.
De bouzouki,
het bekendste rebètika-instrument,
is een luit met een lange hals en had oorspronkelijk drie dubbele
snaren. Rond 1940 voegde de virtuoos Manolis Chiotis er een vierde
snaar aan toe om sneller te kunnen spelen. De baglamás
is een kleinere uitvoering van de bouzouki, met
drie dubbele
snaren en een karakteristiek hoog geluid. Samen met de Spaanse gitaar
vormen de bouzouki en de baglamás
de drie
standaardinstrumenten van de rebètika-muziek.
Op oude rebètika-opnamen
is soms een banjo of een tzourás, een driekwart-bouzouki,
te horen. Soms zijn ook glaasjes te horen, die bespeeld werden door er
een komboloi, een kralensnoer, langs te halen. Na
de oorlog
worden ook accordeon en piano wel als rebètika-instrument
gebruikt.
In
een parallelle, uit
Smyrna afkomstige traditie, die tot de Tweede Wereldoorlog heeft
bestaan, werden rebètika-liederen
begeleid door sandouri
(citer) en viool, vaak aangevuld met specifiek oosterse instrumenten
als ud (Turkse luit) of canun
(citers), of met
westerse als gitaar, banjo of mandoline.
Rebètika is oosterse
muziek. De melodie
van de rebètika is gebonden aan erg
strenge,
vaststaande patronen, de maqams (toonladders of
liever
toonschalen). Hele en halve toonsafstanden zijn daarin niet altijd even
groot. Voor westerse oren lijken soms kwarttonen voor te komen. De rebètika-liederen
maken gebruik van de maqams, maar worden begeleid
door
instrumenten met een typisch westerse, gelijkzwevende stemming. Zo zijn
twee verschillende muziekculturen binnen de rebètika
op een bijzondere manier met elkaar verbonden.
|
 |

|
|